Bij ons op de keukentafel lag vaak het maandblad Bericht van de tweede wereldoorlog. Ik kon nog niet echt lezen, maar plaatjes kijken kon ook. Het waren plaatjes waar ik niet in kon geloven. Van een grote kuil waar iemand op de rand zit, zijn jas vasthoudt en met een vreemde blik schuin naar achter probeert te kijken. Achter hem staat een soldaat met een pistool. In de kuil liggen dode mensen. Ik begrijp er niets van.

En dan die foto van een moeder en haar kind dat ze vastklemt en waar op een paar meter afstand een dik ingepakte soldaat het geweer op haar richt. Jarenlang heb ik dit beeld weggeduwd. Het was voor de foto. Niet echt. Want er stond toch een fotograaf bij? Die zou toch nooit toestaan dat deze moeder, die het zichtbaar koud had en haar kind probeerde te beschermen…verder denken durfde ik niet.

En dan het verhaal dat mijn moeder me ooit vertelde. Het schoot mij van de week ineens te binnen. De boerderij waar ik ben geboren was tegen het eind van de oorlog een plek van een trieste gevechtshandeling. Britse soldaten kwamen op de Deunk Diek, de weg die van de boerderij naar de grote weg loopt, jonge fanatieke Duitse soldaten tegen. Misschien amper zeventien jaar. Ze wilden zich niet overgeven. Ze waren van de Hitlerjugend. Bloedfanatiek. Waarvan de Britse soldaten achteraf zeiden: “We hopen eigenlijk dat we deze jongens niet tegenkomen, want ze zijn blind. Ze vechten zich dood voor de Führer.” Mijn oma was naar buiten was gerend en had tegen de jonge soldaten geschreeuwd: “Jongens stop er toch mee, het is voorbij…” En dat uiteraard in haar beste Duits, maar de jonge fanatici luisterden niet, ze schoten, raakten niemand en werden doodgeschoten door een Britse soldaat.

En dan het verhaal van mijn vader, die in de oorlog in de Noordoostpolder werkte en daarmee vrijstelling had voor werken in Duitsland, want de polder was belangrijk voor de voedselvoorziening. In november 1944 vielen de Duitsers in de vroege ochtend de polder binnen. De beruchte razzia waar bijna 1800 mannen werden opgepakt. Mijn vader had het geluk dat hij een logeeradres net buiten de polder had en zo kon hij op tijd gewaarschuwd worden de polder niet in te gaan. Hij dook onder. Sommige van zijn vrienden heeft hij nooit teruggezien…

Wat doen rauwe plaatjes en verhalen met je? Ze ontregelen iets, dat is duidelijk. Het staat haaks op wat je als mens bent. Ehh… denkt te zijn… Wanneer je dan zelf als 8 jarige meemaakt dat je zusje van bijna drie door een ongeluk om het leven komt, word je er ruw aan herinnerd dat het leven geen sprookje is. Je kunt een tijdlang niet met jezelf door de deur. Je samen gaat stuk.

Hoe kun je dan toch nog geloven in een sprookje wanneer je ontdekt dat je eigen kinderen, de tweeling, die 17 jaar geleden geboren wordt met elkaar kunnen communiceren op een ingenieuze manier. Dat hun samen op deze manier wordt getraind als absolute voorwaarde om het leven met succes op te kunnen pakken?

Die je verwonderd een lied laat schrijven. Over dat Een lijn van jou naar mij duizend draden spint zonder woord…

Kan het niet wat triester? Een tikje realistischer? De wereld verstoort toch elke dag dit soort prille samen? Dan past toch meer een requiem? Trieste weemoedige noten? Of…?

Wat is dit onverwoestbare streven naar die kant van het leven, die van hoe het bedoeld is? Het lied, gezongen door mijn vrouw en de moeder van onze tweeling, helpt me om de oorlog, vooral ook de innerlijke oorlog, in de ogen te durven kijken.

Een lijn van jou naar mij

Een lijn van jou naar mij
Werd nooit bepaald door een bevel
Ergens afgegeven

Een blik van jou naar mij
Spint duizend draden zonder woord
Ooit ingegeven

Want een dag van jou en mij
Ondeelbaar, onverdedigbaar,
In weten dat we elk moment
Oneindig samen zijn

Een lijn van jou naar mij
Vindt alle wegen zonder naam
Eens uitgesproken

Een blik van jou naar mij
Telt nooit de uren in de tijd
Ons ooit gegeven

TOEN NU DANTOEN NU DAN