In een land heel ver van hier woonde eens een prins. Zojuist was in het land zijn 25ste verjaardag uitbundig gevierd. De mensen vonden dat het tijd werd dat hij ging trouwen. Ze hoopten er al een tijdje stiekem op. Vonden eigenlijk ook dat ze recht hadden op een sprookje. Zeker nu het niet zo goed ging met het land.

Een sprookje zou helpen. En alleen met een knappe prinses was het sprookje compleet. De prins woonde al in een prachtig paleis. Die de schatkist een boel geld kostte, maar niemand die daar een punt van maakte. Mits de knappe prinses er kwam en hij natuurlijk samen met haar charmant glimlachend overal lintjes ging doorknippen en aardig zou doen tegen kinderen en oude mensen.

In de wijde omstreken was er niet zo’n mooi paleis. Met grote boogramen en ook veel torens met daarin weer geheimzinnige kleine raampjes. Vier grote oprijlanen gingen richting het paleis. Uit alle windstreken moesten de bezoekers de grootsheid van deze plek kunnen ervaren. Alle wegen leiden naar dit paleis was de gedachte.

Maar ondertussen was de prins niet met dit rijke bezit bezig, niet met een prinses en ook niet met zijn toekomstige volk, maar met zichzelf. Hij vroeg zich af waar hij het toch aan verdiend had om prins te zijn. Hij moest al best vaak ergens opdraven om iets officieels te doen. En altijd waren de mensen beleefd. Ze zwaaiden uitbundig, deden vriendelijk en ook wel eens onderdanig.

Ze deden het voor zichzelf, niet voor hem. En bijna elke maand was er wel een fotoshoot. Dan werd hij van alle kanten gefotografeerd. En tijdens het fotograferen ontlokten ze hem ook altijd een paar woorden, waar de journalisten dan weer een enorm verhaal van maakten.

Hij voelde zich alleen.

Zijn vader, de koning, had onlangs laten vallen, dat wanneer zijn zoon 40 was en hij kinderen had, dat het dan tijd werd dat hij het land ging regeren. Tot die tijd kon hij oefenen. Waarop? Alsof zijn vader wetten maakte en daadwerkelijk het land bestuurde. Nee, daar waren politici voor.

De politiek leek hem wel wat. Of timmerman, of piloot. Maar nee hij moest prins zijn en straks koning. Hij zag er enorm tegenop. Ook dat er binnenkort weer het zoveelste feest werd georganiseerd waar prinsessen uit een buurland zouden komen. En van hem zo langzamerhand verwacht werd dat hij een keus zou maken. Niet omdat de feesten zoveel geld kosten, maar omdat het volk wachtte.

Met de economie ging het als gezegd niet zo best op dit moment, want veel mensen waren gestorven aan een epidemie die maandenlang had rondgewaard. Dat nare ziekte was nu gelukkig voorbij. De mensen wilden het leven wel weer oppakken maar dan moest er wel iets zijn om voor te gaan. Daar hoorde een sprookjeshuwelijk van hun kroonprins bij.

Niemand die nadacht over wat de prins zelf van zijn rol zou vinden. Sterker nog, hij was er voor hen. Moet je maar geen prins worden. En dat was nu juist wat hij zich afvroeg. Waarom hij?

Was hij degene die de mensen een samen-gevoel gaf? Dat kon toch niet waar zijn? Dat was toch nep? Wanneer hij er nu eens stiekem vandoor zou gaan? Maar waar moest hij naar toe? En dan in zijn eentje? Hij was nog nooit alleen weggeweest. Altijd waren er beveiligers en altijd was er een duidelijk doel. Want daar hielden zijn ouders van. Nooit maar gewoon even een ommetje maken en dan een paar vrienden tegenkomen, de stad in en wel zien hoe laat het wordt…

Zijn vader was trots op zijn baan. Hij sprak ook graag in het openbaar. En had dan een heleboel medailles op. Terwijl hij zelfs nog nooit de avondvierdaagse had gelopen. De prins trouwens ook niet.

Zijn vader begon zijn speech altijd met ‘Wij, de koning vinden het goed dat…’ en dan kwam er een heel verhaal over wat het land nodig had en wat er allemaal was besloten om uit de zorgen te komen.

Terwijl hij met een half oor luisterde naar de woorden die hij inmiddels kon dromen, want alle speeches van zijn vader waren ongeveer hetzelfde, dwaalden zijn gedachten af. Hij zag veel mensen staan die er armoedig uitzagen. De luxe van zijn leven stak schril af tegen dat van veel mensen die van bijna niets moesten rondkomen. Ze waren nog niet in opstand gekomen tegen de rijkdom waarin hij, zijn ouders en de hele hofhouding leefden. Wat nu wanneer hij nu zou kunnen besluiten dat het kasteel verkocht ging worden en dat al het geld naar de armste mensen zou gaan? Dat idee leek hem geweldig. En dat hij dan snel andere kleren aan zou trekken, zich onder het volk zou mengen en een boer zou vragen om te mogen overnachten en de andere dag mocht gaan helpen op het land en dan een lieve dochter van de boer zou ontmoeten en dan gewoon…

Zijn vader kwam op hem toe. En zoon wat vond je van mijn speech?

Dat moet jij binnenkort ook maar eens oefenen voor de spiegel en dan begin je met ‘Wij, de prins…’

TOEN NU DAN